De slechtziende vissersdochter

Het is algemeen bekend dat Enkhuizen rond de middeleeuwen een bloeiende haringstad was. Niet voor niets dat in het gemeentelijk wapenschild drie haringen prijken. Er zijn geschiedschrijvers die beweren dat de Enkhuizer vloot in die tijd vijfhonderd haringbuizen telde. Later, toen het havengeld werd ingevoerd, kreeg men een beter beeld van de omvang: 328 schepen betaalden, maar men mag aannemen dat zo’n vierhonderd buizen hun thuishaven in Enkhuizen hadden. Een groot deel van de vissers kwam niet uit de stad, maar woonde in de omgeving. Rond 1700 boden de oude Buijshaven, de Pietershaven en de Oude en Nieuwe Haven plaats voor vijf- à zeshonderd haringbuizen die vooral op de Noordzee visten. Enkhuizen was rijk. Kleine werkmanshuizen verdwenen en maakten plaats voor hoge herenhuizen. Zoals in onderstaand verhaal te lezen is, droeg men gouden oorijzers en zilveren daalders aan de broek. En was soms men ook het middelpunt van een spotverhaal.

Overigens worden volksverhalen worden doorverteld, en iedere verteller geeft er zijn eigen draai aan. Zo schreef Waling Dijkstra in 1895 in zijn boek Friesland’s volksleven van vroeger en later het verhaal ‘Van eene boerendochter die bijziende was’. En dit is de Enkhuizer versie:

Ook bij een slechtziende vissersdochter kan een graatje loszitten

Er was eens een visser op ’t Suud, die met jarenlange goede vangsten een een rijk bestaan had opgebouwd. Aan zijn broeken hingen zilveren daalders en ook de oorijzers van zijn vrouw werden in de hele stad met afgunst bekeken. Van zulke opsmuk werd zelfs een beetje schande gesproken. En ook de dominee kon het niet nalaten om het vissersgezin als voorbeeld te nemen in zijn preken over ijdelheid en zelfzucht.

Maar het echtpaar was helemaal niet zo gelukkig met al die rijkdom. Ze hadden graag een groot gezin gewild, maar hadden slechts één dochter. En die had gemakkelijk een vrijer kunnen krijgen als ze geen hinderlijk lichaamsgebrek had gehad: ze was sterk bijziend. Vooral bij het licht van de petroleumlamp kon ze voorwerpen die vlak bij haar waren nauwelijks herkennen. Laat staan dat ze bij het sorteren van de vis een botje van een scholletje wist te onderscheiden.

Menig knappe schippersknecht uit de streek had in de rijkdom van het gezin aanleiding gevonden om de dochter eens te bezoeken. Daar was zelfs een adelborst uit Den Helder bij. Maar als het meisje dan, ten gevolge van haar bijziendheid, allerlei vergissingen maakte en onhandig in de omgang bleek, haakte de jongeling af en werd in Enkhuizen niet meer gezien. Toch wilde het meisje graag een vrijer, en dus bedacht ze allerlei manieren om de indruk te wekken dat het zo erg niet was met haar bijziendheid. Maar de hele zomer kreeg ze niemand op bezoek. Terwijl de andere meisjes er met hun vrijers op uit trokken, bleef zij eenzaam achter in de visserswoning.

Het werd al herfst toen er een vreemde botter in de haven kwam en de schippersknecht zich meldde voor een bezoek. De jonge visser was natuurlijk van harte welkom! Het meisje deed alles om goed bij hem in de smaak te vallen. Samen met haar moeder bedacht ze een plan om de toekomstige vrijer te laten geloven dat ze een paar ogen als de beste had.

De moeder zou, zoals destijds gewoon was, pannenkoeken bakken. En terwijl de jongelingen aan het eten waren, zou de moeder ongemerkt een visgraatje naast het bord van haar dochter leggen. Het meisje zou haar moeder daarop wijzen en zo aantonen hoe goed haar ogen waren: ze kon zelfs op afstand de kleinste graatjes zien!

De plek van het graatje werd nauwkeurig afgesproken, en toen de eerste pannenkoek verorberd was, zei het meisje: ‘Kijk moeder, daar ligt nog een graatje!’ ‘Waar dan?’, vroeg haar moeder sluw. ‘Daar!’, zei het meisje, en ze pakte het op. Wel verdraaid, dacht de schippersknecht, als ze dát ziet, valt het allemaal wel mee met die geruchten, ze heeft de ogen van een visdiefje! Het plan had goed gewerkt!

Op dat moment kwam de man des huizes binnen. Hij stootte z’n klompen naast de deur en schoof aan tafel. Naast zijn bord legde hij een pondje paling, dat als toetje gebruikt zou worden. Moeder deelde nog een pannenkoek uit en alles leek gesmeerd te verlopen. Tot de dochter opkeek en in het grauwe schijnsel iets naast haar vaders bord zag liggen. ‘Lelijke kat!’, riep ze, ‘Wat doe jij op tafel?’ Ze gaf het pondje paling een flinke veeg waardoor het van tafel zwiepte en op de grond terechtkwam. Tot groot plezier van de echte kat natuurlijk.

Maar dat dus ook deze vrijer Enkhuizen nooit meer aandeed, zult u wel begrijpen!